Praktijkperikelen: Verhalen achter de triagelijn: Van een zere teen naar een SEH-opname
27-01-2026 -Van een zere teen naar een SEH-opname
Het is zaterdagochtend, rond elf uur, als de telefoon gaat.
Ik neem op:
“Goedemorgen, met de triagist van de Huisartsenspoedpost, wat kan ik voor u doen?”
Een vrouw antwoordt:
“Goedemorgen, ik bel voor mijn moeder. Ze heeft veel pijn in haar benen, kan haar arm niet goed bewegen, eet nauwelijks, drinkt minder, is erg moe en slaapt veel. Ik wil overleggen wat we moeten doen.”
Ik laat haar weten dat ik haar zorgen begrijp en er zo op terugkom.
“Bent u bij uw moeder?” vraag ik.
“Ja,” antwoordt ze.
Ik wil graag weten hoe haar moeder reageert, of ze zelfstandig naar het toilet kan, hoe haar gelaatskleur is, en wat haar algemene toestand (de ‘algehele indruk’) is.
De dochter vertelt dat mevrouw alert reageert, maar erg vermoeid is. Ze kan wel zelf lopen, maar heeft veel pijn in haar linkervoet, vooral in de grote teen. De kleine teen doet ook wat zeer. Kortademig is ze niet echt – “maar dat is ze eigenlijk altijd al,” voegt ze eraan toe.
“Ik denk dat het weer een jichtaanval is,” zegt ze. “Dat heeft ze vaker gehad. Kan ze daar iets van medicatie voor krijgen?”
Opnieuw zeg ik dat ik haar vraag begrijp en er zo op terugkom.
“U vertelde dat uw moeder wat kortademig is?”
“Ja, dat klopt.”
“Is dat nu anders dan normaal gesproken?”
“Nee, zeker niet,” hoor ik op de achtergrond. Een vrouwenstem klinkt door de telefoon.
“Is dat uw moeder?” vraag ik.
“Nee, dat is de thuiszorg. Zij komt hier om mijn moeder te verzorgen. Zij denkt ook dat het jicht is.”
De mevrouw van de thuiszorg vertelt op de achtergrond dat mevrouw haar teen pijnlijk en rood is – “Het lijkt wel jicht.”
“Wilt u naar uw moeder gaan?” vraag ik. “Ik zou haar graag zelf even willen spreken, als dat lukt.”
Ik krijg moeder op de speaker.
Als eerste vraag ik naar haar ademhaling. Aan de andere kant van de lijn hoor ik een kortademige dame die nauwelijks een volle zin kan uitspreken.
“Sinds wanneer bent u zo kortademig?”
“Sinds vanmorgen.”
“En bent u dit altijd al, of is het nu anders?”
Ze laat weten dat ze altijd wel wat kortademig is, vooral bij inspanning, maar dat het nu ook in rust optreedt.
“Ik word er wel moe van,” zegt ze.
Ik vertel dat haar dochter aangaf dat ze pijn heeft in haar linkerarm.
“Kunt u daar iets meer over vertellen?”
Ze legt uit dat de pijn vooral in haar pols zit – “Dat is de reuma, denk ik.” Maar het meeste last heeft ze van haar grote teen, die erg pijnlijk is.
“Uw dochter vroeg of we iets van medicatie konden voorschrijven voor de jichtklachten,” vertel ik haar, “maar nu ik hoor hoe kortademig u bent, vind ik dat er iets anders moet gebeuren.”
Ik vraag of ze pijn op de borst heeft of heeft gehad.
“Nee,” antwoordt ze.
Dan krijg ik haar dochter weer aan de lijn.
“Ik ga de dokter bij uw moeder langs sturen,” laat ik haar weten. “Hij moet haar even goed onderzoeken.”
“Oh, dat is fijn,” zegt ze.
Ik geef haar een vangnet mee: wanneer opnieuw te bellen als de dokter nog niet is geweest.
Zo zie je maar weer: een gesprek kan een totaal andere wending krijgen dan je op het eerste gezicht verwacht.
Wat begon met een zere teen – mogelijk jicht – eindigde met een benauwde dame die amper een volzin kan spreken.
Aannames. Ze zijn een valkuil in ons werk.
Daarom is het zo belangrijk goed door te vragen. En misschien nog wel belangrijker: de patiënt zelf te spreken.
Als het aan dochter en thuiszorg had gelegen, had ik medicatie voor jicht kunnen overleggen.
Maar gelukkig heb ik mevrouw zelf gesproken. De huisarts is bij haar langs geweest.
Uiteindelijk is mevrouw ingestuurd naar de SEH met verdenking op: anemie, hartfalen en atriumfibrilleren de novo.